VERSLAGEN: van een mislukt leven.

 

Herinneringen zijn gebeurde verzinsels.

Yackobes Chraduz - Albanees wijsgeer

 

 

IJMUIDEN

Dirk Hartog dwarsstraat/Tasmanstraat

7   1 t/m 6

 

 

De jaargetijden en het weer drongen nog niet echt tot je door. Je speelde binnen of je speelde buiten zonder er notie van te hebben. Maar het moet een mooie zondag zijn geweest toen je met je vader langs het Noordzeekanaal wandelde, want de zon scheen en als bakker had je vader alleen op zondag tijd voor een wandeling.

Jullie waren niet de enigen die daar wandelden. Vele malen werd je vader met zijn voornaam gegroet en werd hem gevraagd of jij zijn zoon was. De vraag stellen was hem beantwoorden, maar iedere keer antwoordde hij trots dat je dat inderdaad was. En jij was trots dat je zo’n bekende vader had.

Op de kade achter de kleine sluizen bekeken jullie als vele anderen een kapotgeschoten of gebombardeerd huis en draaide je vader als vele anderen even aan het hengsel van een aan een vaal witte muur achtergebleven wandkoffiemolen. Je keek naar hem op. Hij glimlachte maar niet blij. Vroeg hij zich af, wie er aan die koffiemolen had moeten draaien in plaats van hij en al die andere wandelaars?

Jaargetijden en het weer speelden dus nog geen rol in je bewustzijn, maar het was zeker winter toen je vader zich door een dik pak sneeuw genoodzaakt zag niet met de bakfiets zijn wijk in te gaan maar met een op jouw slee bevestigde kist vol bakkerswaren. Trots liep je met hem mee, maar al voordat jullie de straat uit waren, zakte de kist door je slee heen, wat je vader behalve een probleem ook een schuldgevoel ten opzichte van jou opleverde. Maar jij bekommerde je niet om die slee, je vond het alleen jammer dat jullie nu niet zo samen de wijk in konden om de klanten te bedienen. Hoe dat werd opgelost weet je niet meer.

Je vader die goed kon dansen had in ruil voor voedsel uit hun legervoorraden dansles gegeven aan de Canadese bevrijders. Je kreeg van hem een legergroen blikje waarin melk of melkpoeder had gezeten om dat als spaarpot te gebruiken. Er zat een driehoekige opening in het deksel waardoor de melk of melkpoeder was geloosd en waardoorheen, uiteraard na reiniging, geld in het blikje kon worden gestopt. Zo kon je sparen. Maar je wist niet wat sparen was, dat was nog een te abstract begrip voor je. Als er familie of bekenden op bezoek waren, ging je sparen, sparen roepend en het blikje op en neer schuddend om de er al in zittende munten te laten klinken bij ze langs. Waardoor je collecteerde in plaats van spaarde. Maar dat leverde je meestal wel een paar munten op die je dan zonder het te beseffen spaarde.

 

Wordt vervolgd.

 

                   

 

 

IJMUIDEN

Dirk Hartog dwarsstraat/Tasmanstraat

1

 

 

Je wereld was IJmuiden

en nooit was die wereld groter dan toen

je Jetje verkende op het landje langs de spoorbaan

langs het zwarte sintelpad dat ooit een grijze autoweg zou zijn

langs het brede kanaal dat de boze fabrieken op een afstand hield

schijnheilig zwaaiden jullie daar naar de langskomende treinen

Jetje en jij.

 

Je wereld was IJmuiden

en nooit was die wereld groter dan toen

je hoopte Jetje te kunnen betoveren

eens op het landje langs de spoorbaan

met het neerdwarrelende zaad van de iepen

dat je zelf slikte om te weten of het werkte

door de Kanaalstraat op weg naar de kleuterschool

zwaaiend naar vrachtwagens met oorlogspuin

naar de bestuurders van de wederopbouw

je een man voelend als ze terugzwaaiden

maar het zaad van de iepen liet jou onberoerd

en gaf je daarom nooit aan Jetje.

 

Je wereld was IJmuiden

en nooit was die wereld groter dan toen

je bramen zocht in de ochtendzon geurende duinen

en je blik soms dwaalde naar de blonde welvingen

van de met grijsgroen helmgras begroeide zeereep

waarachter je een zilt deinende weidsheid wist

maar niet hoe je de lokroep daarvan moest duiden

en nog niet dat je dat nooit zou weten.

 

Je wereld was IJmuiden

en nooit slonk die wereld sneller dan toen

je met Aart zwierf langs de havens en sluizen

tienerliedjes zingend en dromend van dat

waarvoor jullie steun zochten bij elkaar

wel voorvoelend spoedig veel meer

te zullen moeten loslaten dan elkaar.

 

Als door een plotse windvlaag ontstond er een gat in de mist van je vroegste jaren. Daarna trok dat gat snel weer dicht, maar  vervolgens verdween geleidelijk die mist op enkele flarden na. Wellicht zal hij ooit terugkeren als een mist van je laatste jaren en uiteindelijk zeker als de definitieve mist.

 

In een tuin met een seringenboom speelde je naast een door de oorlog leeg kippenhok in de zandbak. Je moeder was binnen. Omdat ze alleen met je was, had ze de schuttingdeur dichtgetimmerd. Maar plotseling werd die toch opengestoten. Spijkers trilden glinsterend in de zon en een man wankelde de tuin binnen.

‘Dag meneer,’ brabbelde je bang.

‘Dag jongen,’ mompelde de man en strompelde naar de bijkeuken.

Bang maar ook nieuwsgierig klom je uit de zandbak en dribbelde hem achterna. In de bijkeuken zag je hem over de rand van de kolenbak gebogen staan en iets roods braken. Je dribbelde via de keuken naar de woonkamer, waar je moeder kleding zat te herstellen. Ze keek glimlachend naar je op.

‘Een meneer,’ bracht je gesmoord uit.

De glimlach bevroor op haar gezicht.

‘Een meneer, waar?’

Je wees richting keuken en bijkeuken. Je moeder rees overeind, kwam naar je toe en keek over je heen de keuken in. Vanuit de bijkeuken klonk gerochel. Zij duwde je opzij, ging de keuken in en pakte iets dat je later zou leren kennen als een deegroller. Daarmee gewapend liep ze met reigerspassen naar de bijkeuken, waar ze met overslaande stem een naam riep die je waarschijnlijk wel eerder had gehoord en in ieder geval nog heel vaak zou horen. Die van je vader.

2

Er is je verteld dat je waarschijnlijk hebt geprobeerd op het kippenhok te klimmen, dat je daarbij bent gevallen, in een teiltje terecht bent gekomen en je beentjes over de rand ervan moeten zijn geknakt, dat je huilde en niet meer kon lopen, dat je moeder met je naar de dokter ging en dat die zei dat je benen waren gekneusd, dat het vanzelf over zou gaan, maar dat het niet vanzelf overging, dat je voortdurend zat te huilen en dat je moeder toen met je naar een andere dokter is gegaan die twee gebroken benen vaststelde, dat je in het plaatselijke Sint Antonius ziekenhuis werd geholpen maar dat er naast je gebroken benen ook beschadigingen aan je rug werden geconstateerd die zo ernstig waren dat jullie werden doorverwezen naar het academisch ziekenhuis in Leiden, dat je vader toen nog in een kamp in Duitsland vastzat en dat je moeder op een fiets met houten banden met je achterop naar Leiden is gefietst, dat jullie onderweg een paar maal werden aangehouden, maar dat de Duitsers tegenover een jonge moeder met een kind toeschietelijk waren, dat in het Leidse academische ziekenhuis röntgenfoto’s van je benen en rug werden gemaakt, dat je benen opnieuw moesten worden gezet en in gips moesten worden verpakt maar dat er aan je rug niet veel te doen viel, dat je er hopelijk overheen zou groeien, dat je een nacht in het ziekenhuis moest blijven en er voor je moeder ook een bed werd geregeld, dat jullie de volgende dag weer op die fiets met houten banden terug naar IJmuiden zijn gereden. 

Dat het met je benen goed is gekomen heb je zelf kunnen vaststellen, maar ook dat je altijd last van je rug hebt gehouden.

3

Je was een verzwakt oorlogskind dat de Hongerwinter ternauwernood had overleefd. Je moeder kocht daarom geitenmelk voor je bij een man die geiten hield op een strook land tussen de IJmuiderstraatweg en de spoorbaan. Daarachter was een sintelpad dat later een autoweg zou worden langs het Noordzeekanaal. Aan de overkant van dat kanaal waren en zijn de hoogovens en staalfabrieken, maar dat was een verre wereld.

En je was gek op dieren. Herhaaldelijk zeulde je een kat mee naar huis waarvan je dacht dat hij verdwaald was. Iedere keer moest je moeder je er dan van overtuigen dat het dier heus wel ergens in de buurt een thuis had. En toen uitkwam dat je in een onbewaakt ogenblik een geslacht konijn van de bakfiets van een poelier had gepakt en het ergens in de poort achter het huis had begraven, waarna je niet meer wist of wilde weten waar je dat had gedaan, vergoedde je moeder de schade aan de poelier zonder boos op je te worden. Ze begreep het wel.

Meestal wandelde je aan haar hand mee naar het geitenlandje voor de melk, en daar raakte je zo in de ban van die geiten dat je er ook een wilde. Je zeurde er net zo lang om dat je ouders er een voor je kochten. Een bokje. Hij werd in de bijkeuken gestald maar kon overdag vrij door de tuin lopen, waar hij in zijn spiegelbeeld via het keukenraam een rivaal meende te zien die met een ferme kopstoot bestreden diende te worden. Je vader trof maatregelen om het te voorkomen, maar die bleken niet afdoende. Telkens opnieuw wist het bokje zijn vermeende rivaal te bereiken en ging het keukenraam aan diggelen. Dat kon zo niet doorgaan. Tot je grote verdriet moest het bokje terug naar zijn soortgenoten op het landje langs de spoorbaan. Hoe dat zakelijk werd geregeld weet je niet.

4

Toen je moeder weer eens melk met je ging kopen bij de geitenboer, wat niet veel langer dan een kwartier in beslag nam, hoorden jullie bij terugkomst je pas enkele maanden oude zusje hartverscheurend huilen en bleek je moeder de huissleutels te zijn vergeten. Ze haastte zich met je achterom in de veronderstelling dat de achterdeur open zou zijn, maar dat was bij uitzondering eens niet het geval en je zusje bleef maar krijsen.

In de muur langs de poort stond een wc raampje op een kier. Dat zat hoog genoeg om het open te kunnen laten. Er zou trouwens alleen een kind doorheen kunnen, en dat was wat je in paniek geraakte moeder met jou wilde proberen. Ze leende een keukentrap bij een buurvrouw, zette die naast de muur en ging er met jou op een arm over naar boven. Daar slaagde ze erin het raampje verder te openen, hielp jou er achterstevoren doorheen en liet je aan haar handen hangend zakken. Het was de bedoeling dat je met je voeten op de wc-bril terecht zou komen, maar die bleek onbereikbaar. Je moeder rekte haar armen tot het uiterste en vroeg telkens of je al stond, wat je uiteindelijk maar bevestigde om haar niet langer teleur te stellen. Ze liet je los, je viel en sloeg met je achterhoofd tegen een muur.

‘Wat gebeurt er!’ hoorde je haar geschrokken roepen.

‘Gevallen,’ bracht je uit.

‘Oh lieverd, kan je opstaan?’

‘Ja,’ antwoordde je zonder te weten of je dat kon.

‘Ga dan maar gauw opendoen!’

‘Ja…,’ zei je weer maar bleef liggen, je nog vaag bewust van je huilende zusje boven en je moeder buiten.

‘Gaat het!’ riep zij ongerust.

‘Ja,’ zei je opnieuw en probeerde overeind te komen. Dat lukte maar er stroomde iets warms van je hoofd via je nek naar je rug. Duizelend verliet je de wc, ging naar de voordeur en deed open. Je moeder stond daar al, keek je met grote schrikogen aan en riep: ‘Oh lieverd, wat een bloed!’

Ze trok je mee naar de keuken, pakte een schone theedoek en liet je die tegen een wond op je achterhoofd drukken. Daarna haastte zij zich naar boven, waar je zusje door haar komst prompt ophield met huilen. Ze had gehuild zoals baby’s dat nu eenmaal doen en had in tegenstelling tot jou waarschijnlijk geen zorg nodig, want je moeder kwam direct weer naar beneden. Ze maakte de wond op je achterhoofd schoon en verbond hem, waardoor je in een bonsai versie van een uitheemse monnik veranderde. Maar je leek geen verdere schade te hebben opgelopen.

Als troost kreeg je een visspel, een kartonnen aquarium waaruit je met een aan een hengel bevestigt magneetje kartonnen visjes kon vangen die van een metalen stripje waren voorzien. Je vond het leuk maar genoot toch vooral van de troost die je ouders je ermee boden.

De wond genas voorspoedig. Wel heb je daar altijd een kalen plek gehouden, die gelukkig laag genoeg op je achterhoofd zit om hem ondanks het kalen der jaren met omringende haar te kunnen blijven bedekken. Je bent toch niet op je achterhoofd gevallen, wordt soms opgemerkt als je iets niet begrijpt. Nou, dat ben je dus wel, twee keer zelfs, en die tweede keer komt nog aan de orde.

5

Je ging met je moeder naar een gebouw waarin je later naar de kleuterschool zou gaan. Maar dat wist je toen nog niet. Het was in dat deel van IJmuiden een van de weinige gebouwen die de oorlog hadden doorstaan. Binnen zat in een klaslokaal een aantal kinderen gespannen voor zich uit te staren. Op een toezichthouder na, een grijzige man, waren er geen volwassenen.

Later leerde je dat die kinderen Duitse oorlogswezen waren die, in afwachting van de tijd dat de verwoeste steden in Duitsland zodanig waren hersteld dat ze daar zouden kunnen worden ondergebracht, tijdelijk door Nederlandse pleegouders konden worden opgevangen.

‘Kies er maar een uit,’ zei de grijzige man tegen je moeder.

Zij knikte, ging met haar blik langs de kinderen en wees een meisje aan dat prompt begon te huilen.

‘Ze hebben ons ook genoeg laten huilen,’ zei je moeder, zich er duidelijk ongemakkelijk door voelend, tegen de grijzige man.

‘Maar toch niet deze kinderen,’ antwoordde hij.

‘Ach nee, natuurlijk niet,’ beaamde zij, ‘daarom ben ik hier.’

Na de administratieve afhandeling namen jullie het nog snikkende meisje mee. Ze heette Liesbeth, was ongeveer de helft ouder dan jij en werd tot haar terugkeer naar Duitsland een vriendinnetje van je.

Duitsland, Duitsers en het Duits waren toen door velen zeer gehaat, ook door je ouders. Toch namen ze Liesbeth in huis en zei je moeder tegen je, toen jullie de eerste keer met haar aan tafel gingen: ‘Roep maar, Liesbeth Essen!’ Dat deed je en tot je verrassing begreep zij het. Taalproblemen schijnen kinderen trouwens niet te kennen. Je kunt je tenminste niet herinneren dat jullie elkaar ooit niet begrepen.

Maar Liesbeth was, zo jong als zij was, geobsedeerd door seks. Misschien had ze op dat gebied in het Duitsland van die jaren het een en ander meegemaakt. Jullie sliepen op dezelfde kamer, haar bed tegen de ene muur, het jouwe tegen de andere. In je onschuld vroeg je ’s ochtends soms of je even bij haar in bed mocht. Ze bevoelde dan altijd eerst uitvoerig je kruis, zogenaamd om te controleren of je niet in bed had geplast, voordat ze daarin toestemde, En een keer trok ze, op haar rug liggend, haar onderbroekje uit, spreidde haar benen, opende met een paar vingers haar vulva en gebood je, naar je piemeltje wijzend, hem erin te steken. Maar behalve dat je daar nog helemaal niet toe in staat was, voelde je toch ook al wel aan dat er iets ongeoorloofds van je werd geëist. Je schudde je hoofd en mompelde: ‘Nee, als mamma of pappa het ziet.’

Ongeduldig verzekerde ze je dat die het niet zouden zien. Maar je bleef pruilend naar haar nog kale vulva met uitnodigend geopende vagina zitten staren tot ze haar benen sloot en boos zei dat je dan ook niet bij haar in bed mocht blijven. Bedremmeld ging je terug naar je eigen bed. Waarna ze je op dreigende toon nog liet weten dat je nooit meer bij haar in bed zou mogen als je het aan je ouders zou vertellen. Je beloofde dat niet te zullen doen. Dat zou je ook zonder haar dreigement niet in je hoofd hebben gehaald.

Liesbeth kwam een keer niet op tijd thuis voor het eten. Je vader ging naar haar op zoek en trof haar onder verdachte omstandigheden ergens in een poort aan met een paar oudere jongens. Het fijne kreeg je er niet van te horen. Maar thuisgekomen vroeg ze angstig aan je vader of ze nu met de riem kreeg. Verbluft antwoordde hij dat natuurlijk niet te zullen doen maar dat hij wel erg boos op haar was.

Uiteindelijk ging zij terug naar Duitsland, naar Hamburg of ergens in de buurt van die stad. Waarschijnlijk namen jullie afscheid en waren jullie bedroefd, maar je kunt je daar niets van herinneren. En je ouders en jij hebben nooit meer iets van haar gehoord.

6

Je hoorde opgewonden kinderstemmen. Nieuwsgierig ging je er op af. Om de hoek, op de IJmuiderstraatweg, stond een handkar. Zo een met twee grote wielen in het midden aan de zijkanten van de laadbak. kinderen gebruikten hem als wip. Ze waren allemaal ouder dan jij. Ze zeiden dat je in de kar moest gaan liggen, dat ze jou dan ook zouden laten wippen. Je klom erin en ging op je rug liggen. Ze gingen aan het handvat hangen om de kar te laten kantelen en lieten toen los. Met een klap viel de kar terug. Jij veerde erdoor op en sloeg met je achterhoofd tegen de bodem van de laadbak. Je hersens leken te klotsen. Je begon te huilen en bleef verlamd door de pijn in je hoofd liggen. De kinderen waren er vandoor gegaan. Je weet niet hoe lang je daar zo had liggen huilen toen je moeder zich over je heen boog en bezorgd vroeg wat er met je was. Ze moest zijn gewaarschuwd.

‘Mijn hoofd,’ kermde je.

Ze tilde je uit de kar, droeg je naar huis, de trap op naar je slaapkamer en legde je op bed. Door de pijn had je er geen benul van of ze daarna nog lang bij je was. Maar op een gegeven moment stond ze met een meneer naast je bed. Ze zei dat die meneer een dokter was en dat hij naar je hoofd kwam kijken. Dat deed hij en stelde vragen die grotendeels door je moeder werden beantwoord. Hij zei dat je een zware hersenschudding had en heel lang in bed moest blijven.

Later was je vader er. Je hoorde hem zorgelijk met je moeder praten. Daarna boog hij zich over je heen en zei dat hij je naar beneden zou brengen omdat je moeder dan makkelijker voor je kon zorgen. Je was niet in staat te knikken. Het zou wel goed zijn. Hij tilde je op als eerder je moeder, droeg je de trap af en legde je op een in de achterkamer gedekte matras. Hoe lang je daar gelegen hebt weet je niet, dagen of weken? Maar geleidelijk nam de pijn af en werd je levendiger.

Je oma van moederskant kwam langs. Zij was al een aantal jaren weduwe. Haar man, je opa van die kant, was aan het begin van de oorlog gesneuveld, in Zeeland, bij Veere, waar hij was gelegerd. Zij bracht het prentenboek Koosje gaat op reis voor je mee. De tekeningen die daarin stonden vond je erg mooi. Je grootouders van vaderskant hadden het te druk met de bakkerij en de winkel om langs te kunnen komen. Maar ze lieten zich door je vader op de hoogte houden en gaven hem lekkers voor je mee. De kolen & olieman liet, nadat hij van je moeder had gehoord wat er met je was gebeurd, het boekje Peter Olie voor je achter, en dat vond je ook leuk.

Toen de hoofdpijn was geweken moest je van de dokter toch nog blijven liggen. Maar hoe houd je een jongetje dat zich weer goed voelt in bed. Je moeder lukte het in ieder geval niet lang.

Opnieuw was je op je achterhoofd gevallen. En dat is soms nog te merken, dat geef je grif toe als ernaar wordt gevraagd.

 

Wordt vervolgd.